Gelukkig zijn er nog genoeg liefhebbers die authentieke rijtuigen verzamelen. De grote verzamelaars zijn over het algemeen wel bekend maar er zijn ook nog zoveel liefhebbers die de zelfde passie hebben maar dan met een minder grote verzameling (en met een minder grote portemonnee). Kees van ’t Hoog uit Schipluiden, onder de rook van Delft, is er zo een.
Kees van ’t Hoog is als boerenzoon in 1944 in Schipluiden geboren. Hij volgde als enige zoon zijn vader op in het 28 hectare grootte melkveehoudersbedrijf genaamd Hoeve Buitenlust. Later kiest hij er bewust voor om de trend van als maar meer koeien en megastallen over te slaan. “Onbedoeld is mijn keuze voor de kleinschalige en zichzelf bedruipende traditionele veehouderij weer actueel geworden” merkt Kees met pretoogjes op. Deze wijze van werken op het bedrijf maakte het ook mogelijk om enkele jaren geleden mee te doen aan een gesubsidieerd project “de Grutto”, om de weidevogels weer terug te krijgen. Samen met zijn vrouw Carolien heeft hij 4 dochters.
Het verzamelen
Een rijtuigenverzamelaar zoek je niet in de eerste plaats in het druk bevolkte westen van het land. Toch houdt Kees van ‘t Hoog er een fraaie verzameling rijtuigen op na. Een verzameling waar hij mee begon op zijn zestiende toen hij voor tien gulden een Delftse Tilbury kocht, die nog steeds deel uitmaakt van de verzameling. “Het kostte mij vier weken loon bij mijn vader maar dat had ik er graag voor over”. Het geheel is bijna zestig jaar later uitgegroeid tot een schuur vol fraai koetswerk en aanverwante artikelen.Al jong wist Kees dat hij ooit een Fries wilde hebben. “Een boer op het dorp had een Fries en je hoorde hem al van veraf aankomen; een echte klepper”. Thuis had hij op de boerderij van zijn vader de eerste jaren nog wel gewerkt met een landbouwtuigpaard maar daar word je geen echte menner achter. Rond zijn achttiende komt buurman Abraham Chardon vragen of hij als oproepkracht wil werken als koetsier voor zijn stalhouderij. “Je begrijpt dat hij dat geen tweede keer hoefde te vragen. Daar heb ik pas echt leren mennen. En hij was precies hoor Abraham Chardon”.
Als enige zoon moet Kees al vroeg aanpakken op de boerderij. Het helpen bij het twee keer per dag melken ik dan zijn belangrijkste taak. Op veertien jarige leeftijd gaat hij na het middagmelken naar wagenmaker van Trigt in Delft (op loopafstand van de boerderij) om daar nog een paar uurtjes te helpen. Zo leert hij het vak van het restaureren van onderdelen van een rijtuig.
Het is duidelijk dat de hobby van deze agrariër al vanaf zijn jonge jaren bestaat uit paarden, rijtuigen en bijbehorende artikelen. Op het melkveebedrijf van zijn vader verdween het paard snel uit beeld als trekkracht in de bedrijfsvoering. Maar Kees was al begonnen met het verzamelen van buiten gebruik geraakt materiaal dat met paarden te maken had. De liefhebberij bij Kees en de meeste verzamelaars zit hem niet in de eerste plaats in het bezitten van de rijtuigen maar het restaureren ervan. En of dat werken aan zo’n nieuwe aankoop nu twee maanden of twee jaar duurt dat maakt niet uit.
![]() |
| De ouders van Kees |
De verzameling is niet omvangrijk, twaalf stuks, maar wel van goede kwaliteit. Het zijn stuk voor stuk rijtuigen met een verhaal. Want even de portemonnee trekken en een perfect rijtuig kopen was er niet bij. “Dat liet de portemonnee niet toe maar het zou ook geen uitdaging geweest zijn om zo de verzameling op te bouwen” vindt Kees. De werkplaats naast de schuur met rijtuigen bevat een indrukwekkende hoeveelheid gereedschap en machines om het restauratiewerk in eigen beheer en authentiek uit te voeren. Het restaureren van het vele tuigwerk heeft ook veel tijd gekost. Gelukkig kreeg hij daarbij hulp van Peter Kallenberg uit Zoetermeer die over de nodige expertise op dit gebied beschikt en op zijn beurt in de loop der jaren weer oud tuigenmakers gereedschap op de kop heeft getikt. “Het hoofdstel en tuigage dat gebruikt wordt voor een Fries voor een arrenslee behoort rijk versierd te zijn. Maar van het schelpentuig wat ik kocht was het schoftje behoorlijk beschadigd. Dus ben ik op zoek gegaan naar soortgelijke Indonesische schelpen die ook op de rest van het tuig zaten en ben daarna aan de slag gaan met het schelpje voor schelpje er aan vastmaken; monnikenwerk was het”.
Met veel geduld en zoeken zijn ook de accessoires in de loop van de jaren bij elkaar gebracht. Zoals voor veel verzamelaars, waren de opheffingverkopingen van stalhouderijen een uitgelezen mogelijkheid om voor een leuk prijsje weer wat aan de verzameling toe te voegen. Veel bijbehorend materiaal is uitgestald tegen de wanden van de schuur zoals tuigen, hoofdstellen, zwepen, bellentuigen, pluimen en klokkenspelen. Het kleinere materiaal zoals
bitten, kinkettingen, gespen, opzetbeugels, dasspelden, damessieraden, etc. zijn opgeborgen in een langwerpige klassieke tentoonstellingskast die weer komt uit een museum dat werd “gerestyled” en deze kast bij het grof vuil wilde zetten. De verzameling koetslampen wordt getoond in een zelf vervaardigd plankensysteem met uitsparingen voor de voeten van de lampen. De bellentuigen, pluimen en klokkenspelen zijn allemaal in “wedstrijdconditie”. En dan is er ook nog een verzameling boeken waarvan het onderwerp zich laat raden.
De verzameling
Stuk voor stuk geeft Kees een toelichting op zijn rijtuigen.
Eerder is al genoemd de Delftse Tilbury, gebouwd in 1918 door Verbeek in Delft. Dan een in topconditie verkerende blauwe zomerbrik, gebouwd door Veth in Arnhem. De bekleding is fraai gecapitonneerd. “Een veilig rijtuig om mee de weg op te gaan toen de kinderen nog klein waren”.
De volgende in de rij is weer zo’n bovenmatig mooi rijtuig. Een luxe Victoria. “Die heb ik rond 1995 gekocht van stalhouderij Van der Lans uit Den Haag, die toen ging stoppen. Die wagen wilde ik perse hebben. In gedachte zag ik hem mij al gebruiken om mijn dochters te rijden op hun trouwdag met mijn eigen rijtuig”. De Victoria is van Binder uit Parijs. Later zou blijken dat ook andere trouwlustigen Kees inhuren om zijn Victoria in te zetten.
De zwarte Buggy is gebouwd door Hermans uit Den Haag. Kees kocht hem van een boer uit de omgeving. “een luxe Tilbury”. Het boek “Rijtuigen op het spoor” van rijtuigbouwer Gerrard Ipenburg (1912) omschrijft de Buggy als een rijtuig in trek bij notabelen en herenboeren, gereden met een gareeltuig.
Zijn buurman in de schuur is een Deense Wagonette. “Gewoon via de handel op het erf gekomen”. Door de achterbank een slag te draaien is het een Phaeton. Ook aanwezig een Bokkenwagen en een Ezelwagentje. De groene Friese Sjees heeft heel wat restauratie uurtjes gekost. De leren riemen waren helemaal verrot. “Die moest ik vervangen. Ik heb oude drijfriemen gekocht en die versneden en gestikt”. Het geweldig uitgevoerde schilderwerk heeft Kees toentertijd uitbesteed.
Na de restauratie is de Sjees officieel gekeurd en ingeschreven in het Fries Sjezenstamboek onder nummer 190. Jaarlijks wordt de Sjees nog ingezet bij een stukje folklore in Vlaardingen. Dan wordt zogenaamd het eerste tonnetje nieuwe haring, aangevoerd door een historische logger, aangeboden aan de Koning. In dit geval gesymboliseerd door een liefdadigheidsinstelling in Vlaardingen. Voor begrafenissen wordt de groene Melkbrik nog regelmatig ingezet. Hij is gemaakt door de dorpswagenmaker. Begrafenisondernemers weten Kees in zo’n geval wel te vinden.
Een niet alledaags onderdeel van een rijtuigverzameling is de drie wielige mest/kiepwagen. “Zelf helemaal gerestaureerd”. Voorafgaand aan de wereld ruiterspelen in Den Haag in 1994 zou er een promotietocht door het centrum van Den Haag worden gehouden. “Blijkbaar wist iemand binnen die organisatie van mijn gerestaureerde mestwagen want ik werd gebeld of ik mee wilde doen als “bezemwagen”. Een groep studenten zou de mest opscheppen en in mijn kar kieperen”.
Tot slot brengt Kees zijn toelichting op zijn verzameling op zijn twee sleden. Van het glijden met de sleden door de sneeuw en over ijs kan Kees echt enthousiast worden. Fotoboeken vol getuigen er van. Een oud gezegde luidt: Een Fries ontdooit wanneer het gaat vriezen.
Dat geldt ook voor deze Friese paardenfokker uit het Westland. Hij bindt dan wel niet zijn schaatsen onder maar haalt de sleden naar voren uit de stalling. “Het mooiste wat er is” zegt hij over het glijden met sleden. Het wordt bijna college geven wat hij doet.
Hij heeft een Arrenslee en een Arrentikker. De rode Arrenslee is geschikt voor meerdere personen met daar achter een koetsierszitje. De bruine Arrentikker is bedoeld voor één passagier (meestal een vrouw) met ook daar achter een koetsierszitje. Kees doceert dat ze in het gebruik eigenlijk sneeuw-sleden zijn. Wanneer je ermee op het ijs wilt glijden moeten de sleden voorzien zijn van remmen, sporen genoemd. “Zonder remmogelijkheid waaier je teveel uit bij de minste beweging; levensgevaarlijk”.
Eigenlijk heeft hij ook nog een derde slee. Dat is zijn groene Friese sjees. Het sjeesbakje kan er van af worden genomen en op een sleeonderstel gemonteerd. “Dan wordt het een Sjeesar genoemd”.
Een rijtuig, ook een klassieke, is een gebruiksvoorwerp is de mening van Kees. “Alleen het oppoetsen en wegzetten doet geen recht aan het werk dat de bouwer er ooit aan heeft gehad”. Daarom spant Kees graag zijn paarden regelmatig voor een van zijn rijtuigen uit zijn verzameling, al wordt de moderne menwagen ook niet geschuwd. Voor Kees is een stelregel dat hij altijd op weg gaat met een hulpkoetsier naast zich ook al heeft hij maar één paard voor de wagen en al is dat paard nog zo betrouwbaar. Met paard en wagen de weg op gaan in het westen
van het land is bijna niet meer te doen. De vele polderweggetjes rond zijn boerderij worden door automobilisten vaak gebruikt als sluiproute om de files op de naastgelegen A13 of A4 te omzeilen. En die dames en heren automobilisten kunnen je voor verrassingen plaatsen verzekert Kees. Wat ook oppassen is, zijn de bermen van de weggetjes in dit veenrijke gebied. Als je door een uitwijkmanoeuvre met een wiel daarin terecht komt is de kans groot dat je omslaat met je rijtuig. Het zelf blijven rijden wordt nog eens gestimuleerd doordat zijn buren de familie Chardon zijn en dan rijdt en dus nog wel eens een aanspanninkje langs je erf.
Zijn ruime ervaring als koetsier hebben voorkomen dat het tot nu toe zware ongelukken heeft gehad met het uit rijden gaan. Wat ook meehelpt is het type paarden dat hij voor zijn rijtuigen spant. Altijd Friezen. Gewoon omdat er geen ander ras op de boerderij voor handen is, of het moet de Shetlander voor de kleinkinderen zijn, maar ook omdat Kees zijn hart verpand heeft aan de Friezen.
Tot voor kort fokte hij wel twee a drie veulens per jaar. “In totaal moeten dat er ongeveer vijftig zijn geweest”. En dan wil je je ook meten met de anderen, dus worden de keuringen frequent bezocht. Fraaie resultaten zijn niet uitgebleven. Kees is lid van de KFPS fokvereniging Noord en Zuid-Holland. In 2000 en in 2002 wordt hij met een merrie kampioen van de regio Noord en Zuid-Holland. Ook is hij lid van de vereniging aanspanning ’t Westland. Via deze vereniging wordt al jarenlang deelgenomen aan tal van toertochten, promotieactiviteiten etc.
En degene die dit allemaal goedvindt, is zijn vrouw Carolien. Zelf actief in de plaatselijke politiek voor het CDA.
Rijden met witte Friezen.
Kees laat enthousiast zijn fotoboeken zien. Blad voor blad wordt van toelichting voorzien. En die foto’s bevatten rijtuigen, Friezen of die twee samen met Kees op de bok. Bij het omslaan van weer een bladzijde een grote schok. Kees lijkt te zijn “vreemd” gegaan. Het zit op de bok van een moderne menwagen met vier witte sportpaarden ervoor. De paarden zijn goed voorwaarts en aan de leidsels. Kees laat bewust even een stilte vallen om te kijken hoe er gereageerd wordt. De paarden en de menner trekken eerst de aandacht. Maar dan valt het kwartje als we naar de bijrijder kijken. Buurman IJsbrand Chardon. Iets wat IJsbrand niet snel zal doen, is de leidsels van zijn wedstrijdspan Lippizaners aan een ander geven. Maar hij kent de kwaliteiten van zijn buurman en zo kwam het dat de Lippizaners op dat moment de hand van een andere menner voelden.Eens een boer, altijd een boer
Om gezondheidsredenen en wegens gebrek aan opvolging is Kees enkele jaren geleden overgeschakeld van melkveebedrijf naar opfokker van jongvee. Na opfok worden de koekalfjes later weer als drachtige vaarzen verkocht.Met zijn vrouw Carolien is Kees al verhuisd naar het opgeknapte voorhuis. “Want weg van deze boerderij is geen optie”. Zijn jongste dochter, schoonzoon en hun kinderen wonen nu in de oude boerderij. Door de afnemende gezondheid van Kees worden de activiteiten op de boerderij nu geleidelijk omgevormd tot een zorgboerderij. Zijn dochter, die psychiater is, is al volop bezig met de omschakeling naar de zorg voor psychiatrische patiënten. “Maar de koeien gaan niet weg hoor. Op een boerderij horen beesten”.
De toekomst van het authentieke gerij ziet Kees met een gerust hart tegemoet. Er is nog genoeg mooi spul beschikbaar. En het materiaal wat er nu is gaat zeker niet meer verloren, kredietcrises of niet. Dat wat in de jaren na de oorlog gebeurde zal zich niet meer herhalen. Kees doelt op het toen afdanken van bedrijfsrijtuigen door middenstanders en stalhouderijen. “Het meeste materiaal is als brandhout geëindigd. Het overgebleven materiaal is nu in handen van verzamelaars niet meer van gebruikers en dat is het verschil” merkt Kees positief op. “Wat wel altijd zal blijven zijn prijsfluctuaties, deels afhankelijk van de conjunctuur en deels afhankelijk van het aanbod”.
Met deze optimistische visie maken we nog een rondje door de loods en snuiven de geur op van gepoetst leer en wagenvet.





Geen opmerkingen:
Een reactie posten